naar volgende recensieG. Verdi, Messa da Requiem

recensie geplaatst januari 2011

Het Requiem neemt in Verdi’s oeuvre een aparte plaats in. Een componist, wiens hele leven in beslag genomen werd door het theater werd toch geïnspireerd door de eeuwenoude teksten van de dodenmis. Daarin was hij geen uitzondering. Door de hele muziekgeschiedenis heen is de requiemtekst een inspiratiebron geweest. Vaak is de duistere, angstaanjagende sfeer van het Laatste Oordeel aanleiding voor het componeren van illustratieve muziek. Hierin is het Requiem van Mozart een bekend voorbeeld. Ook bij Verdi gaan alle registers open os juist bijna alles dicht om de juiste sfeer van de teksten te onder strepen.

Dat het werk nog steeds populair is bewijst het aantal opnames dat beschikbaar is. Zonder moeite had ik er in korte tijd al bijna tien in huis. Ik heb me beperkt tot een viertal, waarbij de verschijningsdatum een rol speelde. De Naxos opname dateert uit 1996, maar is vooral interessant door de kwaliteit/prijsverhouding.    

Ik koos dus voor:

Claudio Abbado op EMI (2001), Nicolaus Harnoncourt op RCA (2004), Antonio Pappano op EMI (2009) en Pier Georgio Morandi op Naxos (1996)

Door het grote aanbod is het kiezen wel erg moeilijk. De muzikale kwaliteit is wisselend, maar doorgaans hoog. De prijzen variëren van ± € 15,00 tot € 35,00. In een aantal gevallen wordt er een extra compositie toegevoegd, vaak de Quattro Pezzi  Sacra, een viertal kleinere religieuze werken van Verdi.
Het is ondoenlijk om alle facetten van de uitvoeringen te vergelijken. Reden waarom ik me beperk. Natuurlijk heb ik met veel interesse naar het koor en het orkest geluisterd. Ook de solistische bijdragen werden subjectief gemeten, maar het zwaarst woog de muzikale zeggingskracht.

Ik heb allereerst kritisch geluisterd naar het eerste deel: Introïtus en Kyrie. In tempo verschillen de vier opnames niet veel. Abbado is iets breder dan de anderen en Harnoncourt is tamelijk snel. Op merkelijk is de koorinzet van het a capella “Te decet hymnus”. De zangers bij Abbado en Harnoncourt zingen vrijwel vibratoloos. De Hongaren van Morandi hebben een matig vibrato. Gans anders bij Pappano: daar klinkt het belcanto voluit in de koorinzet. Even wennen, na de kuisere klanken van daarvoor. De stijl van zingen werkt zonder meer dramatisch. Binnen het kader van het werk is het een optie die hier heel goed kan. Bijna ga je geloven dat het zo hoort. Tenslotte is Verdi de man van de opera…

Het solistenkwartet laat zich in het Kyrie horen. Zonder uitzondering zangers van niveau, waarbij ik mijn voorkeur uitspreek voor het kwartet dat bij de Pappano opname acteert. Een evenwichtige bezetting.

Bij Abbado “dweilt” de tenor een beetje en de bas heeft een opvallend grote, ruige stem. Heel mooi vind ik daarentegen de sopraan. De opbouw van dit deel is echter weergaloos Ook de het kwartet bij Harnoncourt vertoont een tekort aan homogeniteit.
De Naxos opname laat zangers horen, die aan elkaar gewaagd zijn.

Het “Dies irae” klinkt bij Harnoncourt relatief rustig. Een opvallende tempokeuze, die mogelijk ingegeven wordt door de wens niet te zeer opera-achtig te werk te gaan. Toch weten de uitvoerenden de spanning goed vol te houden. De inzet van het orkest is bij Pappano prachtig helder weergegeven. Hier ervaar je de hoge kwaliteit van deze opname.

Het “Sanctus” is bij Harnoncourt relatief breed van opzet. De andere uitvoeringen zijn beduidend sneller, waarbij Abbado voor mij de kroon spant. Het slot: “Pleni sunt ceali”, ruist door de wolken. En de slotmaten klinken als een uitroepteken.
Ik maak een sprong naar het slotdeel: “Libera me”. Zonder uitzondering is de solo-sopraan inzet spannend te noemen. Ook het reciterende koor werkt steeds zeer effectvol. Ook het “Requiem” met de sopraansolo en het a capella koor is steeds het aanhoren meer dan waard, waarbij de Morandi uitvoering minder nuance laat horen. Van de overige drie uitvoeringen stijgt hier de versie van Abbado naar een grote hoogte. Zonder de anderen te kort te doen: dit schijnt van een andere wereld. 
De slotfuga voor koor wordt weer bij Harnoncourt het minst snel genomen.  De contrasten zijn bij Pappano het meest aangezet. Deze dirigent begint in een voortvarend tempo. Dankzij een goede timing en vrijmoedige tempowisselingen bereikt hij een grote spanning.

Ik kom met enige schroom tot de conclusie dat mijn uiteindelijke keuze zou vallen op de meest recente opname: Pappano. Daarbij speelt de bijzondere opnamekwaliteit duidelijk mee. Maar dit schrijvend wordt ik alweer aangevochten, want ook Abbado is prachtig. Harnoncourt wekt mijn interesse door zijn “kuise”  benadering. Het onevenwichtige solokwartet en het gevoel dat er toch te weinig mediteraan gezongen wordt doet mij zijn uitvoering op de derde plaats te zetten. Daarmee komt de uitvoering op Naxos als nummer 4 uit de bus. Deze keuze wordt vooral bepaald door de opnamekwaliteit. In verhouding tot de anderen klinkt het allemaal wat bedekt, wat stoffig.

Overigens wil dat niet zeggen dat dit een slechte keuze is. Voor ± € 15,00 krijgt je een uitvoering die een alleszins goede interpretatie paart aan een matige opname. U krijgt er echter wel de “Quatro Pezzi Sacra” bij cadeau!

Kees Glaubitz