naar volgende recensieJ.S. Bach, Weihnachtsoratorium, BWV 248

(door Kees Glaubitz - recensie geplaatst november 2009)

Het Weihnachtsoratorium van Bach behoort bij de tien meest uit-gevoerde vocale werken uit de muziekhistorie. Na de Matthäuspassion zou het wel eens de meest populaire compositie van de Leipziger cantor kunnen zijn.

Het is dan ook niet verwonderlijk dat er een groot aantal uitvoeringen op cd verkrijgbaar is. We noemen een aantal: Nicolaus Harnoncourt met zijn Concentus Musicus, het Arnold Schönberg Chor en solisten, waaronder de sopraan Christine Schäfer, Jos van Veldhoven met zijn Nederlandse Bachvereniging met o.a. de sopraan Johannette Zomer, ook het Monteverdi-koor o.l.v. John Eliot Gardiner en diverse minder bekende gezelschappen hebben zich aan dit geliefde repertoire gewaagd. Voor dit artikel hebben we een viertal uitvoeringen naast elkaar gelegd en we hebben ze vergeleken naar de solistenbezetting, de aanpak van de aria’s, de orkest- en koorkwaliteiten en de interpretatie in het algemeen.

De opnamen komen uit een periode van ruim dertig jaar. Misschien dat de oudste niet meer verkrijgbaar is, maar voor mij heeft die een bijzondere betekenis: een uitvoering uit 1973 met een consequent doorgevoer-de “authentieke” bezetting. Met enige regelmaat luister ik naar dit soort cd’s, omdat ik dan weer even geconfronteerd wordt met het ideaal dat de oude muziek musici van toen ‘voor oren’ stond. Zij waren de hervormers van het eerste uur!

De gekozen uitvoeringen
1) Tölzer Knabenchor en het Collegium Aureum olv Gerhard Schmidt Gaden. Sopraan en alt uit het jongenskoor, Theo Altmeyer (t), Barry McDaniel (b) (Deutsche Harmonia Mundi).
2) Gächinger Kantorei en het Bach-Collegium Stuttgart. Arleen Auger (s), Julia Hamari (a), Peter Schreier (t), Wolfgang Schöne (b). Dirigent: Helmuth Rilling (oorspronkelijk Hänsler Verlag, nu bij het Kruidvat).
3) Thomanerchor en Gewandhausorchester Leipzig o.l.v. Georg Christoff Biller. Barbara Schlick (s), Yvonne Naef (a), Christoff Prégardien (t), Klaus Mertens (b) (Philips).
4) Cappella Amsterdam en Combattimento Consort o.l.v. Jan Willem de Vriend. Malin Hartelius (s), Kristina Hammerström (a), Jörg Dürmüller (t) en Detlef Roth (b) (Challenge).

Opvallend is het begin van het werk. De tempi lopen op naarmate de jaren voortschrijden. Met name Biller en De Vriend zetten er meteen flink de sokken in. Ik moet zeggen dat die verschillen voor mij acceptabel zijn, zolang er geen sprake is van haast. Dat is meteen het gevoel dat mij bij Biller bekroop. De rusten tussen jauchzet en frohlocket zijn m.i. te kort. Hierdoor ontstaat na een mooie, stralende en lichtvoetige start een gevoel van onrust. Jammer, want verder is het openingskoor mooi van klank. De kinderstemmen klinken prachtig met de sonore tenor en bas door het vrolijk schetterende orkest.

Ook De Vriend denkt de 3/8 maat in enen. Gelukkig is er bij hem meer controle over de koorzangers. Het geheel is mooi dansant opgezet, waarbij de accenten in de pauk met een lichte toets de juiste stuwing geven.

Ondanks de rustiger aanpak van Gaden en Rilling is er ook veel te genieten in deze uitvoeringen. Schmidt Gaden is de langzaamste, maar nergens te traag. Bij Rilling stoort mij de koorklank. Een beetje ouderwets, met nogal veel vibrato. Dat waarderen we tegen-woordig niet zo meer. De klank van het Tölzer Knabenchor is zoals je dat van een goed jongenskoor verwachten mag: helder en strak. Gaden weet daarbij voldoende nuance aan te brengen.

Koralen kan je op diverse wijze zingen. De oude vraag naar de functie van de fermates doemt steeds weer op. Bach ondertekende zijn werk vaak met het S D G, Soli Deo Gloria, oftewel: Alleen God zij eer. Voor mij houdt dit in dat in dit soort werken de overigens prachtige muziek bedoeld is om de tekst te ondersteunen. De declamatie van de tekst is daarbij ook een punt. Principieel is de vraag: moet een koraal klinken zoals het volksgezang klinkt of heeft het feit dat het gezongen wordt door een koor ook een rol te spelen? Juist daardoor is het immers mogelijk de tekst helder te belichten. Mijn voorkeur gaat daarom uit naar de tweede benadering en dan kom ik uit bij de wijze waarop de Leipziger muzikanten het aanpakken.
Ook de uitvoering onder leiding van Jan Willem de Vriend wil ik hier noemen.

Solisten
Over de solisten is natuurlijk veel te zeggen. Het belangrijkste is echter het verschil in de alt. Alleen bij de uitvoering door het Tölzer Knabenchor is er sprake van een jongensalt. De overige opnamen laten allemaal een vrouwelijke solist horen. Het moet mij van het hart dat deze stemmen allemaal nogal veel vibrato laten horen. Ik verlang dan toch naar een counter-tenor of naar een goede kinderstem.
Wat meer objectiviteit in de tekstuitbeelding van bijvoorbeeld “Bereite dich …” is op zijn plaats.

Daarentegen is de interpretatie van het wiegenlied “Schlafe mein Liebster” in de opname van Jan Willem de Vriend wel zeer goed getroffen. Mogelijk geïnspireerd door het voortreffelijk spelende orkest is de Zweedse mezzo Kristina Hammerstrom in mijn oren onovertroffen. Wars van sentimentaliteit schildert zij een intiem moeder-en-kind portret. Ontroerend in zijn eenvoud.

Prachtige aansluiting vindt het volgende recitatief voor bas en het “Ehre Sei Gott”. Het slotkoor is getimed vanuit de sinfonia, de herdersmuziek waarmee de cantate begint.
De andere solostemmen zijn van goed tot zeer goed gehalte. Het is een plezier om de tenor Peter Schreier te horen bij Helmuth Rilling, maar de mij onbekende Jörg Dürmüller bij De Vriend is zeker even capabel.

Tempi
Zo steeds maar weer luisterend en vergelijkend dringt zich de gedachte op dat voor veel keuzes in tempo en voordracht wel iets te zeggen is. Het is alleen zo dat, in de loop der geschiedenis, zelfs binnen één mensenleven de uitvoeringspraktijk een evolutie heeft meegemaakt. Tempi zijn doorgaans vlotter geworden. Voor mijn oren soms te. Er is denk ik meer aandacht gekomen voor de grote lijnen in het werk.

De heroriëntatie op de oude instrumenten heeft ook bij de musici die op niet authentieke instrumenten spelen zijn invloed gehad. Ook het vocale klankideaal is veranderd. Een groot vibrato maakt een koorklank meteen gedateerd.

Conclusie
Het is in die context dat ik voorkeur heb voor Jan Willem de Vriend en zijn Combattimento Consort en Capella Amsterdam. Zij pretenderen niet de uiteindelijk juiste interpretatie te geven, maar ze zijn op dit moment het meest in evenwicht wat tempi betreft. De orkestklank is zeer verzorgd en het koor zingt genuanceerd en voortvarend. Bijzonder is het solistenkwartet. Geen grote bekende namen uit de oude muziek, maar een doorgaans zeer voor zijn taak geschikte groep zangers, die accuraat en met veel muzikaal inlevingsvermogen hun bijdrage leveren.
Deze productie is voor ongeveer € 25,- te koop. Hij wordt geleverd in een fraai uitgevoerd boekwerkje, waarin naast de complete tekst ook een aantal beschouwingen te lezen is. Een aantal prachtige foto’s completeert deze uitgave.

Intussen luister ik echter ook nog graag naar andere versies, want ook die zijn met liefde en zorg voor de muziek gemaakt.
Ze zeggen wel eens dat Bach niet stuk te krijgen is. Laat ik het omkeren: Ik denk dat Bach de muzikanten dwingt hun uiterste best te doen. Dat deed hij dat tijdens zijn leven, maar ik denk ook nog na zijn dood.