Overzicht per componist
| 1892 | Geboren op 17 september | ![]() |
| 1913 | Organist St. Josephkerk in Haarlem | |
| 1916 | Behaalt diploma aan conservatorium | |
| 1927 | Wordt hoofdvakleraar theorie conservatorium | |
| 1945 | Eerste uitvoering Te Deum Laudamus | |
1981 |
Sterft op 12 april |
|
|
| 1812 | Geboren te De Wilp (NL) | |
Johannes Gijsbertus Bastiaans was een Nederlands organist, componist en muziektheoreticus. Bastiaans kreeg vanaf zijn tiende orgelles in Deventer. Hij leerde voor horlogemaker en vestigde zich in Rotterdam. Daar maakte hij kennis met C.F. Hommert, die hem liet kennismaken met de werken van Johann Sebastian Bach. Hij trok naar Duitsland waar hij les kreeg van onder meer Felix Mendelssohn-Bartholdy en F. Becker. In 1839 werd hij organist voor de doopsgezinde gemeente in Deventer. In 1840 werd hij organist aan de Zuiderkerk in Amsterdam en van 1858 tot 1878 was hij stadsorganist aan de Grote of Sint-Bavokerk en stadsbeiaardier in Haarlem. Hij was hij één van de drijvende krachten achter de groeiende aandacht voor J.S. Bach in Nederland. Bastiaans heeft verschillende koralen en werken voor orgel en piano geschreven. Ook heeft hij verschillende melodieën geschreven voor de Vervolgbundel op de Evangelische Gezangen. In het Liedboek voor de Kerken zijn 9 liederen van melodieën van hem voorzien. Een bekend voorbeeld daarvan is De Heer is mijn Herder dat in bovengenoemde vervolgbundel als Lied van de Goede Herder was opgenomen. De tekst van dit lied is geschreven door Jan Jakob Lodewijk ten Kate. Bron: Liedboek voor de kerken. Samengesteld door de Prof. G. van der Leeuw-stichting 3e druk, Zoetermeer 1998 |
| 1685 | Geboren op 21 maart te Eisenach | ![]() |
| 1694 | Moeder overlijdt | |
| 1695 | Vader overlijdt; gaat wonen bij oudste broer Johann Christoph met wie hij muziek studeert | |
| 1696 | Gaat naar het lyceum | |
| 1700 | Gaat studeren aan de benedictijnerkooropleiding Sint Michaël in Lüneberg | |
| 1701 | Blijft na stembreuk orgel en viool studeren | |
| 1703 | Wordt hofmusicus bij de broer van de hertog in Weimar; later dit jaar wordt hij organist in Arnstadt | |
| 1704 | Componeert Osteroratorium | |
| 1705 | Reist naar Lübeck om Buxtehude te ontmoeten | |
| 1707 | Wordt in juli organist in Mühlhausen; trouwt in oktober met zijn nicht Maria Barbara Bach | |
| 1708 | Keert terug naar Weimar als hofmuzikant en organist van de hertog | |
| 1710 | In oktober wordt zoon Wilhelm Friedemann geboren | |
| 1711 | Bezoekt Halle en slaat baan als organist af | |
| 1714 | In maart wordt zoon Carl Philipp Emanuel geboren; schrijft veel cantates | |
| 1717 | Wil zijn baan opzeggen en wordt daarom door de hertog opgesloten; wordt vrijgelaten, vertrekt uit Weimar en wordt Kapellmeister van Prins Leopold van Anhalt in Köthen | |
| 1719 | Reist naar Halle om Händel te ontmoeten, maar die blijkt in Engeland te zijn (de componisten hebben elkaar nooit ontmoet) | |
| 1720 | Zijn vrouw sterft tijdens zijn afwezigheid; probeert een aanstelling in Hamburg te krijgen | |
| 1721 | Schrijft de Brandenburgse concerten, opgedragen aan hertog Christian Ludwig van Brandenburg; hertrouwt met Anna Magdalena Wülken, dochter van een hoftrompettist | |
| 1722 | Schrijft Klavierbüchlein voor Anna Magdalena; solliciteert als cantor bij de Thomaskerk en Thomasschool in Leipzig | |
| 1723 | Wordt na een proefuitvoering van zijn Johannespassion gekozen als cantor; maar kan aanstelling in Köthen aanhouden tot de dood van de hertog; in december wordt Magnificat uitgevoerd | |
| 1725 | Schrijft Notenbuch voor Anna Magdalena; componeert nog steeds veel cantates | |
| 1727 | Begint aan de Matthäuspassion; een deel ervan wordt uitgevoerd bij de begrafenis van Prins Leopold. | |
| 1729 | Première Matthäuspassion; een van de vele ruzies met het bestuur van de Thomaskerk | |
| 1730 | Weet enkele verbeteringen door te voeren in de Thomaskerk na de aanstelling van een nieuwe rector | |
| 1731 | Bezoekt Dresden; Klavierübung deel 1 wordt gepubliceerd | |
| 1732 | Geboorte van zoon Johann Christoph Friedrich | |
| 1734 | Eerste uitvoering van het Weihnachtsoratorium | |
| 1735 | Geboorte van zoon Johann Christian. De jaren hierna behoudt hij zijn moeizame aanstelling en schrijft veel | |
| 1740 | Zijn zoon C.P.E. Bach treedt in dienst van Frederik de Grote; zijn gezichtsvermogen wordt steeds slechter | |
| 1747 | Bezoekt zijn zoon aan het hof van Frederik; wordt hartelijk ontvangen en componeert naderhand voor de koning het Musikalischer Opfer | |
1750 |
Verliest na een operatie zijn gezichtsvermogen, dat nog heel even terugkomt; sterft op 28 juli aan een beroerte
|
| 1833 | Geboren te Hamburg (D) | ![]() |
Tot groot verdriet van vader Brahms interesseerde zijn jongste zoon zich al vroeg voor een instrument dat hij nooit zou kunnen betalen: piano. Zelf was hij contrabassist, en moest zich heel wat materiële offers getroosten voor de muziekopleiding van zijn wonderkind Johannes (geboren in Hamburg op 7 mei 1833). Cossel en Marxsen waren zijn eerste leraars, en al vroeg dirigeert hij een mannenkoor en schrijft zijn eerste composities. bron: www.componisten.net |
.
| 1845 | Geboren op 12 mei te Pamiers (F) | ![]() |
| 1854 | Gaat naar de Ecole de Musique van Niedermeyer in Parijs | |
| 1857-1865 | Wint een aantal prijzen en studeert vanaf 1861 piano bij Saint-Saëns | |
| 1865 | Cantique de Jean Racine, geschreven als afstudeeropdracht | |
| 1866-1870 | Kerkorganist in Rennes | |
| 1870 | Organist in Clignancourt; gaat in augustus in dienst | |
| 1871 | Wordt na diensttijd assistent-organist in Saint-Sulpice; medeoprichter van de Societé Nationale de la Musique in november. | |
| 1876 | Eerste vioolsonate | |
| 1879 | Eerste pianokwartet | |
| 1881 | Balade voor piano en kwartet | |
| 1883 | Trouwt op 27 maart met Marie Fremiet | |
| 1886 | Tweede pianokwartet | |
| 1887 | Pavane voor koor en orkest | |
| 1892 | Wordt inspecteur van de nationale conservatoriums | |
| 1896 | Dolly suite voor piano | |
| 1900 | Prométhée; voltooit orkestversie Requiem | |
| 1905 | Wordt directeur van conservatorium | |
| 1912 | Opera Pénélope | |
| 1917 | Tweede vioolsonate | |
| 1922 | Franse president woont concert van hem bij | |
| 1924 | Voltooit strijkkwartet in september; sterft op 4 november in Parijs |
| 1822 | Geboren op 10 december in Luik (B) | ![]() |
| 1830 | Gaat naar conservatorium van Luik, waar hij piano en muziektheorie studeert | |
| 1835 | Concerttournee met zijn broer Joseph; in mei verhuist het gezin naar Parijs | |
| 1837 | In oktober naar conservatorium van Parijs | |
| 1842 | Vader haalt hem van het conservatoroim; tweede tournee door België; ontmoet Liszt in Brussel | |
| 1843 | Publicatie van drie trio's (opus 1) | |
| 1844 | De familie Franck keert terug naar Parijs | |
| 1846 | Première van het oratorium Ruth in januari; verlaat ouderlijk huis en verdient kost als organist en leraar | |
| 1848 | Trouwt op 22 februari met Félicité Desmousseaux | |
| 1858 | Organist van de Ste. Clotilde in Parijs | |
| 1861 | Première Mis in A | |
| 1862 | Six pièces voor orgel | |
| 1871 | Medeoprichter van de Société Nationale. Trio, opus 1 nummer 2, wordt uitgevoerd tijdens openingsconcert in november | |
| 1872 | Rédemption; wordt professor orgel op conservatorium Parijs | |
| 1878 | Drie orgelstukken | |
| 1879 | Les Béatitudes (pianokwintet) | |
| 1885 | Symfonische variaties; Prélude, choral en fugue (piano) | |
| 1888 | Symfonie Psyché | |
| 1889 | Strijkkwartet | |
1890
|
Trois chorals; sterft op 8 november in Parijs als gevolg van een verkeersongeval voor zijn woonhuis.
|
| 1685 | Geboren op 23 februari te Halle (D) | ![]() |
| 1695 | Levert eerste composities af | |
| 1697 | Zijn vader overlijdt; componeert cantates en orgelmuziek | |
| 1698 | Wordt leerling aan het Stadtgymnasium | |
| 1701 | Ontmoet Telemann | |
| 1702 | Gaat rechten studeren aan de universiteit van Halle, maar besluit dat hij toch een muzikale carrière wil | |
| 1703 | Wordt lid van het opearorkest van Hamburg | |
| 1705 | Eerste opera, Almira, is een succes; daarna volgt Nero | |
| 1706 | Geeft opera op en gaat lesgeven; eerste reis naar Italië, waar hij in Florence Alessandro Scarlatti ontmoet met wie hij vriendschap sluit | |
| 1707 | Gaat naar Rome waar zijn eerste opera Rodrigo een succes is | |
| 1710 | Wordt Kapellmeister van de keurvorst van Hannover; bezoekt Londen, waar hij koningin Anne ontmoet | |
| 1711 | Opvoering Rinaldo in Londen | |
| 1712 | Weer in Londen voor zijn Il Pastor Fido; raakt in moeilijkheden omdat hij te lang wegblijft in Hannover | |
| 1714 | Is voornamelijk in Londen; koningin Anne overlijdt en zijn Duitse werkgever wordt koning George I van Engeland | |
| 1715 | Händel en George I leggen ruzie bij na Watermusic | |
| 1717 | Hoewel in Londen nog steeds populair, worden zijn opera's in Italië steeds minder uitgevoerd | |
| 1718 | Bezoekt Hannover samen met George I; componeert Chandos en het oratorium Esther | |
| 1719 | Acis en Galathea | |
| 1720 | Drukke operawerkzaamheden; richt eigen operagezelschap op | |
| 1726 | Laat zich naturaliseren tot Engelsman en verandert naam in George Frideric Handel (zonder umlaut); wordt aangesteld als componist van Chapel Royal | |
| 1728 | Zijn gezelscahp raakt in moeilijkheden mede door succes van The Beggar's Opera van Gay. | |
| 1731 | Gezondheid gaat achteruit | |
| 1735 | Trekt zich terug uit operawereld en stort zich op oratoria | |
| 1736 | Alexander's Feast voltooid en uitgevoerd; componeert Atalanta voor het huwelijk van de Prince of Wales | |
| 1737 | Tijdelijke verlamming door beroerte | |
| 1739 | Uitvoering Israel in Egypt en Saul | |
| 1742 | Eerste uitvoering van Messiah in Dublin | |
| 1747 | Première Judas Maccabeus | |
| 1749 | Uitvoering Solomon in Covent Garden; schrijft Fireworks | |
| 1751 | Gaat steeds slechter zien | |
| 1752 | Uitvoering laatste oratorium, Jephtha; wordt geopereerd aan staar, maar is na de operatie blind | |
1759 |
Sterft op 14 april en wordt begraven in Westminster Abbey in Londen |
| 1732 | Geboren te Rohrau (D) | ![]() |
Haydn is eigenlijk een Bohemer: op 31 maart 1732 werd hij in Rohrau geboren als tweede van de twaalf kinderen van een eenvoudig, vroom en vlijtig wagenmaker. De grootste wens van zijn moeder was een geestelijke uit haar zoon te zien groeien, maar gelukkig voor ons haalde de droom van vader het: die wilde er een muzikant van maken. In de huiskring werd er veel gemusiceerd en deze volksmuziek zou zoon Joseph later nog van pas komen. Na enkele schuchtere pogingen bij een neef organist, wordt hij ingelijfd bij de (nu) beroemde Wiener Sangerknaben, die instonden voor de opluistering van kerkdiensten van de Stephansdom. Wenen was in die tijd de culturele hoofdstad van Europa, en het had een grote muziektraditie: hof, adel en burgerij beoefenden intensief alle mogelijke muziekgenres. Toen hij de baard in de keel kreeg en in een onweerstaanbare opwelling de pruikenstaart van een collega afknipte, werd Haydn op staande voet ontslagen en weggestuurd uit het instituut. Hij stond letterlijk op straat, en moest een tijd leven uit de hand van enkele vrienden en bewonderaars. Later kon hij in zijn levensonderhoud voorzien als kopiist, privé-leraar en begeleider bij de zanglessen van Porpora. Deze vergoedde hem ook in de vorm van compositielessen. Uit die tijd stammen zijn eerste serenades en strijkkwartetten op bestelling van de plaatselijke adel en gegoede burgerij. Verder bestudeerde hij de "nieuwe" werken van Carl Philipp Emmanuel Bach, die zo de geestelijke vader van zijn pianosonates zal worden. In 1759 begint zijn loopbaan als kapelmeester bij graaf Morzin, voor wiens orkestje de eerste symfonieën gecomponeerd worden. Hij trouwt met ene Maria Anna Keller. Eigenlijk had hij zijn oog laten vallen op diens zus, maar ze werd hem door zijn schoonvader aangesmeerd als vervangster. Heel wat anekdotes uit zijn verdere leven wijzen erop dat dit niet de ideale verbintenis was: kinderen kwamen er niet, en Haydn liet zich vaak ontvallen hoe gelukkig hij was weer voor langere periodes uithuizig te moeten zijn voor zijn werk. Naar zijn eigen woorden was hij niet ongevoelig voor de charmes van andere vrouwen; zeker omdat zijn eigen vrouw hem geen kinderen kon schenken, en omdat het haar onverschillig liet of ze nu met een schoenmaker dan wel met een kunstenaar getrouwd was. Hij leed ook onder haar onuitstaanbaar humeur, en kon gelukkig zijn hart luchten bij de zangeres Luigia Polzelli: ze was negentien toen de zevenenveertigjarige Haydn haar leerde kennen, en deze verhouding eindigde eigenaardig genoeg bij de dood van zijn eigen vrouw. Polzelli begon hem af te persen, om nog voor zijn dood met een Italiaanse zanger te trouwen. In 1760 werd hij kapelmeester bij graaf Esterhazy in Eisenstadt. Er werd een volledig nieuw slot als buitenverblijf gebouwd, en Haydn kreeg er permanent beschikking over een voor die tijd uitgebreid orkest van 22 muzikanten. In een ideale omgeving kon hij in volle vrijheid naar eigen smaak en inzicht te werk gaan. Mede door de vele relaties van zijn broodheer geniet Haydn spoedig een grote bekendheid, en krijgt uitnodigingen en opdrachten uit Parijs, Londen, Amsterdam en Leipzig; ook in Amerika, Spanje en Italië werd zijn werk bekend. Deze bekendheid kwam hem goed van pas in 1790, toen bij de dood van de vorst de kapel ontbonden werd, en hij een behoorlijk pensioen kreeg toegewezen, met behoud van de titel van kapelmeester. Hij vestigde zich als vrij kunstenaar in Wenen, en nu had hij plots alle tijd om in te gaan op de uitnodigingen uit Londen. Op aandringen van de violist en impresario Salomon ondernam hij twee reizen naar Engeland, waar zijn "Londense Symfonieën" triomfantelijk onthaald werden. Hij werd door het hof ontvangen en kreeg het eredoctoraat van Oxford op voordracht van de beroemde muziekhistoricus Charles Burney. Op zijn eerste terugreis ontmoette hij de jonge Beethoven, die hem volgt naar Wenen voor muzieklessen. Toch heeft het tussen die twee nooit goed willen vlotten. De laatste jaren van zijn leven componeerde hij nog zijn twee belangrijkste oratoria: "Die Schöpfung" en "Die Jahreszeiten". Wegens een naamverwisseling met zijn broer Johann kon hij zijn eigen doodsbericht in de krant lezen, en betreurde geen uitnodiging te hebben gekregen voor de groots opgezette rouwdienst in Parijs (met o.a. het Requiem van Mozart en een speciaal voor die gelegenheid gecomponeerd treurmotet van Cherubini), anders "had hij die dienst graag zelf gedirigeerd". Hij stierf dan ten slotte toch rustig en helder van geest middenin het bombardement van de Fransen op Wenen op 31 mei 1809 (dus 18 jaar na de 24 jaar jongere Mozart). bron: www.componisten.net |
Het gerucht doet de ronde dat hij reeds op zijn dertiende Berlioz' verhandeling over instrumentatie en orkestratie gelezen had. Holst was dan ook een bewonderenswaardige orkestrator. Hij ging studeren aan het Royal College of Music - waar hij in 1919 professor zou worden - kreeg er compositieleer van Stanford en studeerde er tevens trombone. In 1895 ontmoette hij er Ralph Vaughan Williams, met wie hij vriendschap sloot. Ralph had een grote invloed op Holsts persoonlijkheid en componeerstijl. Tot aan zijn huwelijk in 1901 verdiende Holst zijn boterham als trombonist. Daarna moest hij naar een veiligere bron van inkomsten zoeken, en werd muziekleraar. Hij gaf onder meer les aan de universiteit van Reading en aan het Royal College of Music. Werd in 1904 muziekdirecteur van de St. Paul's meisjesschool hetgeen hij tot zijn dood zou blijven. Holst bespeelde een groot aantal muziekinstrumenten, wat aan zijn virtuoze en kleurrijke instrumentatiekunst duidelijk te horen is. In die periode componeerde Holst weinig. De werken die hij tot dan toe geschreven had, waren in de Wagneriaanse stijl, maar dankzij de invloed van Vaughan Williams ontwikkelde hij stilaan een eigen, persoonlijkere stijl. Hij werd geïnspireerd door Afrikaanse muziek (Beni-mora suite, Hymns from the Rig-Veda, de opera Savitri), volksmuziek (At the Boar's Head, Egdon Heath). Ook invloeden van Debussy en Richard Strauss zijn soms duidelijk aanwezig. Holst heeft zeker meer invloed gehad op de latere Engelse muziek dan andere componisten van zijn generatie. Bekend zijn ook het koor en orkestwerk Hymn of Jesus (1917) en de opera's The perfect fool (1918-1922) en At the Boar's Head (1925). Hij componeerde voorts andere orkest- en koorwerken, vele daarvan op religieuse teksten, kamermuziek, liederen, balletten en opera's. Tijdens de Eerste Wereldoorlog werd hij naar het Midden-Oosten gestuurd om er oorlogje te gaan spelen. Als gevolg van een ongelukkige val in 1923 is hij niet meer in staat tot lesgeven. Vanaf dan componeert hij, op enkele uitzonderingen na, eerder sombere werken (Fugal Concerto & Overture). In 1934 gaat zijn gezondheid er sterk op achteruit, en hij sterft op 59-jarige leeftijd, op 25 mei van datzelfde jaar. |
| 1917 | Geboren op 4 oktober in Haarlem (NL) | ![]() |
| 1934 | Aanstelling als organist St. Jozefskerk in Haarlem | |
| 1961 | Première Super Omnia met Aafje Heynis | |
| 1964 | hoofdvakdocent orgel Amsterdams Conservatorium | |
| 1976 | Jurylid Franck-concours | |
| 1992 | Organist Eeuwfeest Hendrik Andriessen | |
1998
|
Sterft op 1 december
|
| 1809 | Geboren op 3 februari in Hamburg (D) | ![]() |
| 1812 | Hamburg bezet door de Fransen; familie Mendelssohn vlucht naar Berlijn | |
| 1813 | Krijgt pianolessen van zijn moeder | |
| 1818 | Eerste openbare optreden | |
| 1819 | Gaat bij de zangschool van Carl Zelter; eerste uitvoering van zijn compositie voor Psalm XIX | |
| 1821 | Improviseert voor Goethe; pianokwartet in c klein (opus 1) | |
| 1825 | Strijkkwartet (opus 20) | |
| 1826 | Gaat naar de universiteit van Berlijn | |
| 1826 | Ouverture Sommernachtstraum | |
| 1829 | Dirigeert de Matthäuspassion van J.S. Bach (het begin van een hernieuwde belangstelling voor zijn grote koorwerken) | |
| 1830 | Reformatiesymfonie; begint aan een reis door Europa en bezoekt Engeland, Schotland, Frankrijk en Italië | |
| 1831 | Ontmoet Berlioz in Rome en Liszt in Parijs | |
| 1832 | Ontmoet Chopin en John Field; begint aan Lieder ohne Worte | |
| 1833 | Italiaanse symfonie in Londen in première; wordt muzikaal directeur in Düsseldorf | |
| 1835 | Wordt directeur van het Gewandhaus Orkest in Leipzig | |
| 1836 | Ontmoet Wagner; eerste uitvoering oratorium Paulus | |
| 1837 | Trouwt met Cécile Jeanrenaud | |
| 1839 | Dirigeert eerste uitvoering van Schuberts Symfonie in C groot | |
| 1841 | Wordt muzikaal directeur van het conservatorium in Berlijn | |
| 1842 | Voltooit de Schotse symfonie; ontmoet koningin Victoria | |
| 1846 | Dirigeert première van Elias in Birmingham; zijn gezondheid gaat achteruit | |
1847
|
Geschokt door de dood van zijn geliefde zus Fanny; krijgt een inzinking en sterft op 4 november in Leipzig. |
| 1756 | Geboren te Salzburg (O) | ![]() |
Vader Leopold Mozart was een niet onbelangrijk componist, violist en kapelmeester van het aartsbisschoppelijk orkest te Salzburg, maar gedoemd de geschiedenis in te gaan in de schaduw van zijn zoon. Hij hield de muzikale opleiding van zijn kinderen Nannerl en Wolfgang stevig in de hand, en wist ze als z.g. wonderkinderen op exhibitietournees financieel uit te buiten. Toch kunnen we zeggen dat Wolfgang, in Salzburg op 27 januari 1756 geboren, een gelukkige jeugd gekend heeft, ondanks de ontberingen die de lange reizen voor het gestel van de kinderen in die tijd meebrachten. Als kleuter leerde hij spelenderwijs piano, en moest als zesjarige "kunstjes" gaan opvoeren in de salons van de fine fleur van de grote Europese steden: na Wenen en Pressburg stonden Parijs, Londen, Den Haag en München op het programma. De indrukken die het kind Mozart toen opdeed, zouden hem later als veelzijdig componist best van pas komen. bron: www.componisten.net |
| 1935 | Geboren te Paide (Estland) | ![]() |
Studeerde compositie bij Heino Eller aan het conservatorium van Tallin, en was van 1957 tot 1967 werkzaam als klankregisseur bij de radio van Estland; in deze periode schreef hij ook filmmuziek. In 1980 emigreerde hij naar Wenen; sinds 1982 woont hij in Berlijn. In 1996 werd hij erelid van de American Academy of Arts and Letters. Hij componeerde seriële muziek (Nekrolog v. orkest, 1959), gebruikte collagetechnieken (2de symfonie, 1966) en ontwikkelde vervolgens zijn ‘tintinnabuli’-, ofwel ‘klokjes’-stijl, die hem halverwege de jaren tachtig een wereldwijd succes bezorgde. Deze gaat uit van het grondprincipe van de westerse klassieke muziek: de drie noten van de drieklank, die klinken als bellen, 'tintinnabulations'. In zijn instrumentale werken komt dit het duidelijks tot uiting (Tabula rasa, 1977, Fratres, 1977-1980). Zo herkenbaar als deze stijl thans is, zo moeilijk is hij te rubriceren. De muziek is tonaal, maar niet in de westers-traditionele zin; ze is modern in haar radicaliteit, maar archaïserend wat betreft keuze en behandeling van het materiaal; het repetetieve element speelt er een belangrijke rol in, maar de spirituele afstand tot de hoofdzakelijk Amerikaanse minimal music is groot. Kenmerkend is de sterk graviterende werking van een tooncentrum, meestal een drieklank, waardoor de kleinste uitwijking al een groot effect sorteert. De opvallende reductie van muzikale middelen is erop gericht zeer elementaire processen opnieuw met betekenis te vullen. Bij Pärt hangt deze werkwijze samen met een in de loop der jaren toegenomen belangstelling voor de rituele en liturgische bronnen van de muziek. Vanaf zijn Credo (1968; piano, koor en orkest) – dat hem in conflict bracht met de Sovjetautoriteiten – liggen steeds vaker religieuze teksten en motieven aan zijn werk ten grondslag. In de jaren negentig bereikte hij een ware cultstatus, mogelijk in samenhang met de opkomst van new age en de algemene hang naar spiritualiteit. |
| 1858 | Geboren te Lucca (I) | ![]() |
Uit de ononderbroken reeks musici-van-vader-op-zoon was Giacomo Antonio Domenico Michele Secondo Maria Puccini de laatste en tevens belangrijkste telg. Honkvast als dergelijke componisten uit familietraditie zijn, werden ze allen geboren in het noorditaliaanse Lucca, en op Giacomo na stierven ze ook allen in hun geboortestad. Giacomo was de tweede Jacob ("secondo") en de vijfde musicus uit de familie, en werd dus geboren in Lucca op 22 december 1858. Hij verloor reeds zeer jong zijn vader, en veel weelde was er voor een weduwe met zeven kinderen niet weggelegd; van een echte muziekopleiding kon dus ook geen sprake zijn. De familietraditie en pianolessen bij de plaatselijke pastoor, Carlo Angeloni, zorgden er echter voor dat dit muziekdramatisch talent niet zou verloren gaan. Na het bijwonen van een opvoering van Verdi's "Aida" in Pisa werd het Puccini menens, en door de voorspraak van een bevriende hofdame kreeg de toen reeds twintigjarige Giacomo een studiebeurs toegewezen van de koningin, om aan het Conservatorium van Milaan te gaan studeren. Hij leefde er samen met een neef met slechts honderd lire in de maand. Compositieles kreeg hij er van Ponchielli, die hem aanvankelijk trachtte warm te krijgen voor het symfonische werk, ofschoon alle Puccini's vóór hem zonder uitzondering voornamelijk voor het muziektheater hadden gecomponeerd. Ook de religieuze muziek trok hem aan, maar zijn eersteling, een "Mis in A", klonk zo theatraal, dat Ponchielli het geraadzamer achtte hem toch maar in de richting van de opera te duwen. De eerste opera's "Le Villi" en "Edgar" kenden niet zo'n overdonderend succes, maar brachten toch genoeg op om de grootste financiële nood te lenigen, zodat er met geruster gemoed en gevulder maag kon worden gecomponeerd. Met "Le Villi" veroverde hij zelfs in bescheiden mate de muziektheaters van de Noorditaliaanse steden, nadat het werk aanvankelijk niet eens in aanmerking was genomen voor deelname aan de wedstrijd waarvoor Puccini het geschreven had. Zijn rijke inventiviteit en vooral een doeltreffende orkestratie stonden borg voor een succesrijke toekomst. Met "Edgar", naar het melodrama van Alfred de Musset, kende hij in de Scala minder succes, maar dit verhinderde hem niet de hand te zetten aan zijn eerste grote werk: "Manon Lescaut", op een libretto naar de beroemde roman van Prévost. Het werk werd gecreëerd te Turijn in 1893, en vertoont reeds alle kwaliteiten én gebreken van zijn latere composities: een groot lyrisch-dramatisch vermogen en de gave tot sfeerschepping, naast een zekere neiging tot voze sentimentaliteit. Het hield stand naast dé "Manon" van Massenet, en bracht genoeg op om een stuk grond te kopen buiten de stad; eerst liet hij er een eenvoudig landhuisje op bouwen, later een heuse grote villa. De rust van de natuur en de opwinding van de jacht waren voor Puccini onmisbare levensomstandigheden voor het componeren, terwijl andere ambten en functies die hem veelvuldig werden aangeboden zijn werk alleen maar zouden kunnen storen: één na één liet hij ze aan zich voorbijgaan. De resultaten bleven dan ook niet uit: "La Bohème" (1896) en "Tosca" (1900) maakten hem wereldberoemd en welgesteld. De eerste, op een libretto van Biocosa en Illica naar een roman van Murger, ging ook te Turijn in première. Puccini's muziek brengt eenheid in de vier tonelen, en schildert op adequate wijze het Parijse artiestenleven van rond 1838. Met "Tosca" zou hij de laatste twijfelaars overtuigen. Puccini betreedt er voor het eerst de paden van het verisme mee. Dit "verismo" is de muzikale uiting in de Italiaanse opera van het realisme als strekking binnen de romantiek (voornamelijk in Frankrijk; Zola, Bizet, Meunier, ...): de onderwerpen en personages zijn niet alleen hedendaags maar zelfs alledaags: de gewone sterveling wordt held in plaats van vorsten, veldheren en andere halfgoden. In tegenstelling tot "La Bohème" en "Manon Lescaut", die bewerkingen zijn van romans, schreef Victorien Hardou het werk voor toneel. Giacosa en Illica klaarden alweer het karwei van de omwerking tot een bruikbaar opera-libretto, zij het wel onder het bemoeizieke oog van Hardou. Het resultaat van hun aller arbeid wist Puccini een maximum aan dramatische kracht mee te geven door zijn muziek. Het verhaal speelt zich af in Rome, waar het gecreëerd werd in het "Teatro Constanzu" in 1000 onder leiding van L. Mugnone. De partituur klinkt verrassend modern door het gebruik van schrille dissonanten en de impressionistische hele-toonstoonladder; van Wagner ontleent Puccini het gebruik van de Leitmotive. Met "Madame Butterfly" had hij in 1904 minder geluk: het publiek van de Scala reageerde bij de première meer dan koeltjes. Hij werkte de twee lange bedrijven om tot drie kortere, en in die nieuwe gedaante begon het werk aan zijn veroveringstocht. "La Fianculla del West" werd gecomponeerd voor en gecreerd in de Metropolitan te New York, Caruso zong en Toscanini dirigeerde, maar deze opera werd in de eerste plaats gewaardeerd door de Amerikanen; de Europeanen hadden aan deze hulde aan de Pioniers blijkbaar geen boodschap, maar het werd wel de eerste opera waarin Puccini zocht naar een stijl aangepast aan de nieuwe geest en compositietechnieken van de twintigste eeuw. In 1914 kreeg Puccini het aanbod om voor Wenen een operette te componeren; "La Rondine" (de Zwaluw). Toen hij er volop aan werkte brak de eerste wereldoorlog uit; Puccini wilde zijn contract nakomen op het gevaar af door zijn landgenoten als duitsgezind te worden bestempeld. Gelukkig voor hem kon zijn uitgever de overeenkomst laten ontbinden, en het werk, naar een libretto van Reichert en Willmer, werd door Adami omgevormd tot een komische opera, en in die vorm te Monte Carlo gecreëerd in 1919. Ondanks zijn kwaliteiten kon het zich niet handhaven op het internationale repertoire. In datzelfde jaar 1919 zag Puccini zich verplicht zijn buitengoed bij in Torre del Lago in Toscane te verlaten omdat het geraas van de nieuwgebouwde fabrieken in de onmiddellijke omgeving hem verhinderden in ale rust te componeren. Hij liet een landhuis bouwen in Viareggio. Weer voor New York componeerde hij zijn volgende grote werk: het "Trittico", een drieluik met de eenakters "Il Tabarro", "Suor Angelica" en "Gianni Schicchi", van uiteenlopend onderwerp en niveau. Vooral de laatste, een soort opera buffa, valt op door zijn rake zin voor humor, en wordt weleens vergeleken met Verdi's "Falstaff". Reeds in 1919 was Puccini begonnen aan zijn laatste grote opera: "Turandot", naar een verhaal van Gozzi. Hij heeft het werk niet zelf kunnen voltooien (Franco Alfano maakte het slotduet af): Zijn plots toenemende keelkanker verhinderde hem alle werk. Hij liet zich in Brussel opereren. De operatie slaagde, maar op 29 november 1924 begaf zijn hart het. Intussen was "Turandot", te Milaan in de Scala gecreëerd onder leiding van Toscanini. Het is wellicht de opera waarmee Puccini het dichtst zijn ideaal benadert, namelijk het scheppen van meesterwerken in de grote Verdi-traditie. bron: www.componisten.net |
| 1789 | Geboren te Belzig (D) | ![]() |
Als opvolger van Carl Maria von Weber was Carl Gottlieb Reissiger niet alleen eerste kapelmeester van de saksischeHofkapelle Dresden, maar ook verantwoordelijk voor de kerkmuziek in de katholieke Hofkirche. Dat verklaart het feit waarom het voormalig leerling van de Thomasschule veelvuldig gebruik maakte van latijnse en liturgische teksten voor zijn composities. Gottlieb was leerling van Johann Gottfried Schicht, Peter von Winter en, net als zijn tijdgenoot Beethoven, van Antonio Salieri in Wenen (1821). Hij studeerde ook theologie aan de Universiteit van Leipzig. Zijn muzikale opleiding vervolgde hij in het buitenland, eerst in Franktrijk en later in Italië, dat hij bezocht in opdracht van het pruisiche mininsterie van Binnenlandse Zaken. In 1828 trad hij als opvolger van Carl Maria von Weber aan als hofkapelmeester in Dresden, nadat hij de twee jaar daarvoor muzikaal directeur was geweest van de Deutschen Oper. Hij zou tot aan zijn dood in 1859 hofkapelmeester in Dresden blijven. Reissiger heeft een omvangrijk oeuvre nagelaten waaronder 60 liederen, negen opera's, een oratorium, negen latijnse en vier Duitse missen. Behalve door zijn eigen werken werd hij ook bekend door de eerste uitvoering van Wagners Rienzi (1842). Zijn opera's hadden het meeste succes: Didone, Der Ahnenschatz, Libella, Die Felsenmühle, Adèle de Foixund en het melodrama Yelva. Hij componeerde tien tot twaalf grote missen voor de katholieke Hofkirche, die gekenmerkt werden door een rijke melodie en een warme uitstraling. Datzelfde geldt ook voor zijn psalmen, motetten en liederen die in talrijke bundels verschenen zijn, en voor zijn oratorium David. Een van zijn leerlingen was Hermann Berens. |
| 1813 | Geboren op 10 oktober in Le Roncole, bij Busseto | ![]() |
| 1823 | Kerkorganist | |
| 1828 | Componeert ouverture voor Rossini's Barbier van Sevilla | |
| 1829 | Tweede organist van kathedraal in Busseto | |
| 1831 | Wordt door beschermheer Barezzi naar Milaan gestuurd | |
| 1832 | Afgewezen door conservatorium in Milaan | |
| 1832-1835 | Studeert onder Vincenzo Lavigna in de Scala | |
| 1836 | Neemt baan als leraar in Busseto; trouwt met Margherita Barezzi | |
| 1838-1839 | Zijn dochtertje en zoontje overlijden; zijn eerste opera Oberto heeft veel succes in de Scala | |
| 1840 | Zijn vrouw overlijdt; schrijft komische opera Un giorno di regno die een flop wordt in de Scala | |
| 1842 | Nabucco enorm succes in de Scala met 57 opvoeringen | |
| 1846 | Atilla in première in Venetië; artsen schrijven een half jaar rust voor | |
| 1847 | MacBeth in première in Florence; bezoekt Londen voor productie I Masnadieri | |
| 1849 | Koopt landgoed in Sant' Agata bij Busseto | |
| 1850 | Oostenrijkse overheid verbiedt try-out Rigoletto | |
| 1851 | Première Rigoletto in Venetiê is groot succes | |
| 1853 | Doorslaand succes Il trovatore in Rome; La Traviata een flop in Venetië | |
| 1859 | Trouwt met Giuseppina Strepponi | |
| 1860 | Wordt gekozen in Italiaanse parlement | |
| 1861 | Koninkrijk Italië wordt uitgeroepen | |
| 1871 | Aïda in Caïro | |
| 1874 | Première van het Requiem in de San Marco in Milaan | |
| 1887 | Otello groot succes in de Scala van Milaan | |
| 1897 | Giuseppina overlijdt | |
1901
|
Overlijdt op 27 januari in Milaan; de stad loopt uit en vormt een indrukwekkende haag op Verdi's laatste tocht
|