Recensie De Dordtenaar 29 januari 2005

door Ger van der Tang

GORINCHEM - In 1749, één jaar voor zijn dood, voltooide Johann Sebastian Bach zijn Hohe Messe, waaraan hij tussen alle beslommeringen door zo'n vijftien jaar had gewerkt. Net als het Weihnachtsoratorium een samengesteld opus dat hij gaandeweg opbouwde uit eerdere composities, met name zijn cantates.

Het resultaat was een buitengewoon rijk, complex, moeilijk uitvoerbaar en in zekere zin ook raadselachtig opus. Waarom immers was Bach, overtuigd lutheraan en cantor van de Thomaskerk in het zeer protestantse Leipzig, er zo op gebrand een mis te componeren geheel volgens het ordinarium van de roomskathieke eredienst? Laten wij het erop houden dat de tegenstellingen tussen de Reformatie en Rome voor hem per saldo minder zwaar wogen dan de behoefte voor één keer op basis van de klassieke Latijnse teksten uitdrukking te geven aan zijn diepe religieus gevoel.

Het was deze mis in b-klein, BWV 232, die gisteravond onder leiding van Kees Glaubitz in de Grote Kerk te Gorinchem tot klinken werd gebracht. Uitvoerenden waren het koor van de Christelijke Oratoriumvereniging Gorkum, dat het werk voor de eerste maal in zijn tachtigjarig bestaan in studie nam, het barokorkest Florilegium Musicum en de solisten Ellen Schuring (sopraan), Margareth Beunders (alt), Marcel Beekman (tenor) en Hans de Vries (bariton). Gezamenlijk tekenden zij voor een bewonderenswaardige uitvoering die de toehoorders, van de gedragen inleidende maten van het Kyrie tot en met de vredige berusting van het Dona nobis pacem, in de ban hield.

Verantwoordelijk hiervoor was in de eerste plaats Kees Glaubitz, die met veel gevoel dirigeerde maar met soevereine controle over het ensemble, ook in de meest gecompliceerde passages. Het koor - met name de herenstemmen - kende een onwennige start in het eerste Kyrie en de reprise van deze smeekbede om erbarmen had gepassioneerder mogen klinken. Maar in het jubelende, sterk ritmische Gloria, bleek men uitstekend op dreef. Van bijzondere schoonheid was voorts de legatozang in het Et incamatus est van het Credo. In het dubbelkorige, zesstemmige Sanctus en het dito achtstemmige Osanna, voortreffelijk ondersteund door met name trompetten en pauken, viel zelfs koorzang in de buitencategorie te beluisteren.

Voor hoogtepunten zorgden ook de solisten: Ellen Schuring en Marcel Beekman bijvoorbeeld in het in canonvorm geschreven duet Domme Deus, met een schitterende fluit en strijkersbegeleiding, en Margareth Beunders met een ingetogen Qui sedes (met obligaat oboe d'amore), terwijl Hans de Vries in Quoniam (eveneens uit het Gloria} met de obligaathoorn wedijverde in virtuositeit. Ontroerend was de voordracht door het solistenkwartet van het Crucifixus, over de kruisiging van Christus, met onmiddellijk daarop volgend de vreugdeuitbarsting van het Et resurrexit, de wederopstanding. Schitterende muziek die een glanzende uitvoering kreeg.

> terug naar terugblik